Weerzien



Ze werken sneller dan ik had gedacht. Ik voel mij vreemd. Zweverig licht maar tegelijkertijd verlammend zwaar, broos doorzichtig maar ook compact en ondoordringbaar.

Met hoofd en ogen die ik nauwelijks nog zelf kan sturen kijk ik om mij heen, naar mijn vertrouwde en geliefde omgeving die mij lang heeft beschermd, die mij lang op de been heeft gehouden.

De vaste, zo bekende scherpe lijnen van vormen, richtingen, hoeken en afmetingen worden breder, vervagen, beginnen een eigen leven te leiden.


Glimlachend denk ik terug aan mijn eerste paddotrip. Voor zo ver dat gaat. Net als toen.

Daar kwam ik weer uit, leefde mijn leven.

Nu is er geen weg terug.

Dat wil ik ook niet.

Eindelijk komt er een einde aan list en bedrog, aan oplichting, aan eigenlijk alles dat je als mens nu net niet moet doen. Alleen geweld en misbruik zijn nooit in mij opgekomen. Het enige waar ik mij niet toe heb verlaagd.


Ik ben dankbaar dat de ongeneeslijkheid van mijn zeer agressieve ziekte het mogelijk maakte om deze stap te zetten. Aanvankelijk zoals ieder mens het leven koesterend en er tot in lengten van dagen aan vast klampend, ben ik nu opgelucht en blij dat ik het heb gedaan.

Gelukkig weten mijn kinderen niet wie ik in werkelijkheid ben. Mijn grootste zorg. Ook straks. Want als dit bekend wordt, is de kans groot dat ze een lawine van narigheid over zich heen krijgen. Hoewel ik voorafgaand aan dit moment alles dat binnen mijn vermogen lag in het werk heb gesteld om dat te voorkomen. Maar ik zweef tussen hoop en vrees.


Henk komt binnengestormd, weet direct wat er aan de hand is.

“Je hebt het gedaan” hijgt hij verward, ontdaan, zakt dan overmand door emoties naast mij op zijn knieën.

Hoewel hij wist dat het er aan zat te komen, is het toch een klap.

Het doet mij verdriet om mijn knappe jongste die mij bijna dagelijks aangenaam verraste met zijn ontwikkelende inzichten, zo te zien. Maar hij liet mij geen keuze: als ik het moment had aangekondigd had hij er alles aan gedaan om mij op andere gedachten te brengen, waarschijnlijk met succes.

“Waarom nou toch ?” snikt hij met gebroken stem, zoekt met ogen, gelaatsuitdrukking, handgebaren en lichaamstaal wanhopig naar een opening om terug te draaien wat ik goed voorbereid in gang heb gezet.

“We zouden toch kijken voor die andere behandeling ?”

Zo goed en zo kwaad als het gaat schud ik mijn hoofd.

Hij weet het, berust. Net zo moe als ik van alle dingen die we hebben geprobeerd. Uitgeput van alle onvermoeibare inzet waarmee hij achter mij, voor mij en pal naast mij stond in mijn gevecht. Ons gevecht.

“Kan ik nog iets doen ?”

Met moeite duid ik op de enveloppen met de namen. Mijn persoonlijke boodschappen. En instructies voor hem. Om alles dat na mij komt in goede banen te leiden.

Hij knikt, legt zijn hand op mijn schouder.

“Wim komt”.

“Hb… j… Wm… gebld…?”

Spreken gaat al niet meer.

Maar door mijn lichaam stroomt een blijheid waar ik lang naar heb uitgekeken, waar ik niet van had gedacht dat ik die ooit nog eens zou mogen voelen.

Zijn greep wordt steviger.

“Hij komt er aan. Hou vol”.

Ik knik. Denk ik.

En vecht mijn kansloze strijd tegen het wegzakken.


Dan staat Wim in de kamer. Er is iemand bij hem, ik kan niet zien wie.

In een moment van helderheid flitsen de vele jaren van pijn en verdriet voorbij. Vele lange jaren heb ik hem niet gezien, bestonden we niet in elkaars leven. Alleen maar omdat onze karakters botsten, en wij beiden niet in staat waren om de brug te slaan.

Hij komt bij mij staan, zijn prachtige en sterke gezicht betraand, zijn gelaatsuitdrukking een mengeling van boosheid, ongeloof, maar vooral: spijt.

“Hé ouwe, wat maak je me nou ?” probeert hij zich op zijn eigen karakteristieke manier een houding te geven.

Ik hoor Henk tegen hem praten. Hoewel ik de woorden niet meer begrijp, weet ik dat hij uitlegt wat er aan de hand is.

Huilend knielt Wim naast mijn stoel, pakt mijn hand.

“Ik wilde… ik kon niet… ik wist niet… ik…”.

Ik knijp zachtjes in zijn hand, pers er een glimlach uit dat het goed is.

Ik zie dat hij het niet begrijpt, niet accepteert, dat hij het begrijpt, dat hij het accepteert.

Dan zie ik ineens zijn zelfbeschermende, ondoordringbare muur oplossen. En voor het eerst sinds ze na de scheiding allebei met mijn vrouw mee gingen krijg ik een echte, liefhebbende warme knuffel van hem.

Ik voel het schokken van zijn lichaam, leg mijn armen om hem heen en hou hem stevig vast.

In gedachten, want mijn lichaam kan het niet meer.

Als hij mij weer los laat, zit er een vrouw naast hem, één-en-al warmte en liefde uitstralend. Perfect voor hem.

“Pa, dit is Roos”.

Ze voelt zich zichtbaar niet op haar gemak, glimlacht verdrietig, zwaait verlegen.

Voorzichtig legt hij mijn hand op de vergevorderde buik van zijn vrouw.

“Je wordt opa” is het laatste dat ik hoor.

En op de energie van het nieuwe, onschuldige, onwetende, onbezoedelde leven, laat ik ze achter.

En zijn wij voor altijd verenigd.


© 2015




UA-70284434-1