De Zuidpier



In een opwelling had ze besloten om naar IJmuiden te gaan, om op de kop van de Zuidpier even de zee en de wind te ‘voelen’. Anoniem, in tegenstelling tot ‘haar’ strand waar ze met dit weer beslist zou worden gevonden door bekenden.

Een uurtje een andere omgeving om nieuwe energie te vinden…


Het ziekbed van haar vader had een groot gat geslagen in haar leven, dat ze leefde zoals zo veel mensen dat doen, met voorspoed en tegenslag, vreugde en verdriet.

Ze had zich volledig weggecijferd. Onvermoeibaar, onvoorwaardelijk, geen negatief woord of negatieve gedachte, geen zelfmedelijden over hoe zwaar ze het had. Alle liefde die ze in zich had was voor hem geweest, en voor haar moeder die naast steun, door haar leeftijd en tanende gezondheid extra aandacht nodig had.

Ook toen hij uiteindelijk overleed had ze hem al haar liefde gegeven, had voor een uitvaart gezorgd die bij hem paste.


Gebukt gaand onder het immense verdriet kreeg ze echter niet de gelegenheid om te rouwen om haar vader, van wie ze vreselijk veel hield. Want er was nog haar moeder die eveneens diep in haar hart zat. Die haar nodig had. Meer dan ooit.


Bij de toegang tot de pier kruisten hun ogen elkaar.

Ze had het gevoel dat ze hem kende, maar wist niet direct waar van. Want zij was zeker dat ze hem nog nooit had ontmoet.

Hij had het gevoel dat hij haar kende, maar wist niet direct waar van. Want hij was zeker dat hij haar nog nooit had ontmoet.

Een glimlach. Daarna weer terug in hun eigen wereld.

In hem gebeurde echter iets waardoor hij zijn aandacht niet meer bij zijn oorspronkelijke gedachten kon houden.

Hij stopte, draaide zijn hoofd terug, zag haar in haar voortschrijden ‘en profile’, zag ook het verdriet in haar houding, in haar oogopslag. En zonder dat hij er iets tegen kon doen stuurde zijn hart hem naar haar toe, wat hij normaal uit zichzelf nooit zou doen.

“Hi. Ik ben Ron. Zullen we samen een stukje oplopen ?”

Het verdriet in haar ogen toen ze hem aankeek, raakte hem diep, ontroerde hem.


Ze wilde eigenlijk alleen maar wat tijd voor zichzelf, even uitwaaien, de zee ruiken, de wind door haar haren, en dan weer terug naar haar moeder. Toch knikte ze, hoewel nauwelijks zichtbaar, onderbewust aangestuurd, getriggerd door zijn uitstraling van vertrouwen en rust, die tot in haar ziel reikte.


Aanvankelijk in verwarring, kalmeerde ze na enkele minuten lopen zonder woorden. Verwonderd vroeg ze zich af hoe iets als dit mogelijk was: zonder dat hij wist van haar omstandigheden probeerde hij niet een gesprek aan te knopen, liet hij haar, was hij er zonder er te zijn.

Zij wilde alleen zijn, maar wilde ook dat hij bleef, was alleen, omdat hij niet weg ging, maar haar perfect aanvoelde.


Ze liepen zwijgend, bleven op de zelfde momenten even bij vissers staan kijken als die net op het moment van passeren een flinke vis op haalden, zwegen weer verder in de richting van het einde van de pier.


Op de kop snoven ze de zee op, keken naar het onvermoeibare en eeuwigdurende gevecht van de golven met de basaltblokken, koesterden wind en zon op hun gezicht, volgden het enorme cruiseschip dat met een nieuwe lading passagiers op weg ging naar verre oorden.

Ineens voelde ze dat zijn hand haar hand pakte, dat hij haar arm door de zijne stak, dat hij zijn arm op haar schouders legde, haar zachtjes tegen zich aan trok.

Ze keek opzij, was verward omdat hij twee meter van haar af stond, zijn handen, die ze nog steeds voelde, in zijn zakken.

Hij keek om, glimlachte warm en meelevend naar haar, volgde weer de kustvaarder die richting de sluizen voer.

Ze voelde de troost en geborgenheid van zijn handen en armen sterker worden.


Alsof het zo was afgesproken begonnen ze op het zelfde moment aan de terugtocht, zwegen naast elkaar.

Ze wilde graag terug naar huis, waar haar moeder wachtte, maar wenste ook dat de terugtocht langer zou duren. Want hij voelde goed, bracht haar onrust, maar vooral rust. Er stroomde een warmte door haar die ze lang niet had gevoeld.


Ze verlieten de pier, liepen langs de Marina, keken naar de boten op de kade in de takels, zwegen verder.


Op het punt waar zij richting haar auto moest, en zijn bus op hem wachtte, stonden ze tegenover elkaar, keken elkaar aan, hij met zijn handen nog steeds in zijn zakken, zij met zijn armen om haar heen, zijn warmte koesterend.

“Dank je” glimlachte ze.

“Ik moet jou bedanken” glimlachte hij terug.

Voordat hij instapte draaide hij zich om, knikte kort naar haar, nog steeds glimlachend, zelfs toen hij zat en de deuren van de bus zich sloten.


Dankbaar keek ze hem na.

Zijn troostende handen en armen voelden als nooit te voren.

Nieuwe, schier onuitputtelijke energie stroomde rijkelijk.


© 2015


UA-70284434-1