Bevrijd



Mijn broer en twee zussen zijn er al als ik binnen kom.

De sfeer voelt bizar. Surrealistisch.

Ik voelde me toch al niet jofel, dit duwt mij nog verder onderuit, sterk als ik dacht te zijn.

Ik begroet ze, maak enkele flauwe grapjes die totaal niet aankomen. Ook niet bij mijzelf.

Om er vanaf te zijn geef ik je een hand en loop snel door naar de keuken, waar mam koffie aan het zetten is, omhels haar.

“Lekker. Graag !” zeg ik slechts. Omdat ik het ook niet meer weet.


“Schiet eens op ! We wachten op jou !”

Zelfs nu komt het niet in je op om eens niet de confrontatie te zoeken.

Ik laat het maar. Vijftig jaar vechten heeft mij geen steek verder geholpen. Waarom nu wel ?


Je ziet er ongeduldig uit.

Blijkbaar heb je haast.


We komen samen bij het bed. Ondoorgrondelijke gezichten.

De arts vraagt nogmaals of dit is wat jij wilt. Na jouw vastberaden “ja” zet hij de naald in het infuus.

Opvallend monter kijk je ons aan.

“Ik ga naar de Grote Baas. Ik zie jullie daar” zeg je, zoals altijd alleen maar met jezelf bezig.

“Dag Hilde, dag Karin, dag Marja”.

Je kijkt naar mij.

“Dag Bert”.

De eerste dosis.

Je kijkt mij nogmaals aan.

“Dag Bert” zeg je nog een keer.

Dan sluiten je ogen zich.

Als de tweede dosis het infuus ingaat kan niemand zich nog bewegen.


“Uw man is overleden” constateert de arts even later met gepaste, bedrukte stem.

Terwijl iedereen probeert te beseffen wat er net is gebeurd, probeert hij er niet te zijn. Zo onopvallend mogelijk bergt hij zijn spullen op, verlaat discreet de kamer.


Emoties willen maar niet naar buiten. Bij niemand.

Ik sta aan het voeteneinde. Verdoofd, mezelf belovend dat ik zoiets nooit meer doe.

Ik kijk naar je, maar anders dan mam die haar woede er ineens toch uitschreeuwt. Omdat ze het eindelijk kan.

Ook anders dan mijn zussen, stil, beschadigd voor het leven.

En anders dan mijn verbijsterde broer, van wie je geen afscheid hebt genomen.

“Daar lig je dan”.

Je ogen gesloten, handen op je nog niet zo lang geleden imposante buik, nu compleet weggevreten door de kanker.

“Eindelijk heb je rust, hoef je niet meer te vechten tegen de wereld die altijd tegen jou was. Ook niet meer tegen jezelf”.

Hoewel, je hebt nooit tegen je zwakheden gevochten, maar koesterde ze, ontwikkelde ze zelfs leek het wel.

Ons geen andere keuze latend dan dat te accepteren.

“Daar lig je dan.

Je dochters misbruikt, je vrouw meerdere keren bedrogen, erg losse en vaak snelle, harde handen.

En nooit een goed woord voor iemand, tenzij je er iets voor jezelf uit kon halen”.


Ineens realiseer ik mij echter dat ook jij een product was van je opvoeding, en eigenlijk niet veel anders kon doen dan je in je leven hebt gedaan; ik weet dat jij het in jouw jeugd zwaar te verduren hebt gehad, in het Duitsland van 1943 en later.


Ik weet nu dat de vrijheid van onze keuzes wordt beperkt door de ruimte die je als kind hebt gekregen.


Ik realiseer mij ook dat je altijd voor iedereen klaar stond, en dat ik veel van je heb geleerd. Wij allemaal. Als alles is gezakt zullen we dat ook wel weer weten.


Evenals dat we altijd te eten hadden, een dak boven ons hoofd, kleding, al dan niet tweedehands, dat je er met strakke hand voor zorgde dat ik mijn diploma haalde toen ik op de HBS zat, en druk bezig was te ontsporen.


Het geeft een flinterdun gouden randje aan deze zwarte bladzijde die eindelijk wordt omgeslagen…


© 2015


UA-70284434-1